Basisingrediënt 3 van provocatief coachen met tieners: humor

Een mevrouw trekt een gek gezicht
Hoe kom jij in “the laughing state”?

In twee eerdere blogs ben ik al ingegaan op warmte en uitdaging, de twee eerste ingrediënten van provocatief coachen. Vandaag ga ik in op het derde en misschien wel moeilijkste ingrediënt: humor. Wat maakt humor binnen een mentorrelatie zo ingewikkeld en wat kun je eraan doen?

Als ik met collega’s over provocatief coachen praat, geven ze vaak aan niet grappig genoeg te zijn voor deze manier van werken. Grappig zijn betekent voor deze mensen het niveau hebben van een cabaretier. Dat is echter helemaal niet noodzakelijk om een flinke dosis humor in het mentoraat te gebruiken. Ook bestaat vaak het idee dat het mentorgesprek door het inbrengen van humor opeens geen niveau meer heeft. Alsof de leerling je dan niet meer serieus zou nemen. Ook dit is gelukkig niet mijn eigen ervaring, sterker nog, ik denk dat humor de impact van het gesprek vaak juist groter maakt.

Maar hoe doe je dat dan, humor inbrengen in je provocatieve mentorgesprek? Binnen de theorie van het provocatief coachen wordt in dit verband vaak gesproken over the laughing state. Dit is een staat waarin je jezelf heel gemakkelijk kunt brengen door vlak voor het gesprek aan iets heel grappigs te denken. Dit kan iets zijn wat je pas zelf hebt meegemaakt, maar ook een scene uit een film of een geslaagde grap van een cabaretier werken goed, als je er maar vrolijke binnenpret van krijgt. Daarna komt dus de leerling bij jou voor het gesprek en het eerste wat opvalt is jouw vrolijke gezicht. Dit zet meteen de toon voor de rest van het gesprek.

Ook tijdens het gesprek zelf kun je the laughing state steeds weer proberen op te roepen. Humor inbrengen in je mentorgesprek is veel minder moeilijk dan je denkt. Als je eenmaal the laughing state bereikt hebt, kun je aan bijna alles een vrolijke draai geven. Dit doe je bijvoorbeeld door de leerling zelf te imiteren (houding, stem, blik), door hem of haar te vragen anderen waar hij/zij last van heeft te imiteren, door situaties enorm uit te vergroten, problemen na te spelen, of te benadrukken wat de positieve kanten zijn van een probleem én natuurlijk door onverwachte, gekke vragen te stellen.

Laatst had ik een enorm grappig gesprek met mijn mentorleerling Daniël (niet zijn echte naam). Ik had net voor die tijd een scène uit een supergrappige film afgespeeld in mijn hoofd en was er helemaal klaar voor. Met een grijns op mijn gezicht haalde ik hem op uit de leerwerkruimte. Daniël heeft de sterke neiging alles erg serieus en ernstig te maken, dus hij keek mij aan met een blik van wat is er met jou aan de hand en doe maar normaal, dan doe je al gek genoeg. Ik merkte dat ik deze blik meteen begon te imiteren en voor ik het wist vroeg ik hem of hij soms weer een vier had gehaald. Nu weet ik van Daniël dat hij nog nooit in zijn leven een vier heeft gehaald, want hij is een uiterst serieuze en goede leerling. “Een vier, hoezo?” Hij zei het alsof ik hem net gevraagd had een levende tarantula op te eten. Ook dit imiteerde ik weer, maar nu met een enorme grijns en ik stootte hem aan met mijn schouder – we zaten naast elkaar op een bankje – waarop er een klein glimlachje om zijn mond verscheen. Dit zette de toon voor een gesprek waarin we een behoorlijk groot probleem in Daniëls schoolleven op een luchtige manier konden bespreken die nog effect had ook. Zonder humor was dit nooit zo snel en zo gemakkelijk gelukt.