De kracht van coachen 1: het outcome-model

Mijn mentorleerling Bas[1] wil graag beter worden in economie en wiskunde. Dat is geen overbodige luxe, want hij staat voor beide vakken een 4 gemiddeld. Ik ben dan wel zijn mentor, maar ik heb de ballen verstand van deze twee vakken. Gelukkig kan ik hem wel coachen! In dit artikel leg ik uit hoe ik het outcome-model inzet om leerlingen als Bas toch verder te helpen en te zorgen dat hij na het coachgesprek in beweging komt.

Wanneer gebruik je het outcome-model?

Ik gebruik het outcome-model als een leerling aangeeft moeite te hebben met bepaalde vakken of met bepaalde zelfregulerende vaardigheden zoals plannen of motivatie. Het heeft geen zin dit model te gebruiken als er geen duidelijk probleem ligt. Voor updategesprekken over de actuele cijfers kan ik beter gewoon vanuit een nieuwgierige houding open vragen stellen. Én positieve feedback geven natuurlijk! Het outcome-model kost ook iets meer tijd dan in de regel voor een kort update-gesprek nodig is. Ga maar uit van minimaal tien à vijftien minuten. Natuurlijk moet je ook hier net als in elk coachgesprek weer eerst zorgen voor een goede afstemming op je leerling. In een ander blog leg ik uit hoe je dat doet. Daarna doorloop je alle stappen van het model samen met de leerling. Let er op dat je open vragen blijft stellen en dat de leerling actief is. Ik kijk daarvoor altijd naar de oogbewegingen van mijn leerling, omdat ik dan goed kan zien hoe actief hij nadenkt.

Fase 1: Waar wil mijn leerling naartoe?

Bas heeft dus moeite met wiskunde en economie. Omdat wiskunde een kernvak is, hebben we samen besloten dat vak eerst maar eens te bespreken. Ik stel de volgende vraag: ‘Je staat nu een vier voor wiskunde. Wat voor cijfer zou je graag willen staan?’ Bas geeft aan dat hij in ieder geval geen onvoldoende meer wil staan. Hartstikke mooi, maar wel negatief geformuleerd. Dus daag ik hem uit: ‘Wat wil je wél staan?’  Het antwoord is heel resoluut: ’Een voldoende, dus een 5,5.’ Dat lijkt mij een mooi streven, dus ik complimenteer hem hiermee. Het doel is nu immers positief geformuleerd. Aan de eerste voorwaarde voor fase 1 is daarmee voldaan.

Daarnaast is het belangrijk dat Bas een haalbaar doel stelt dat binnen zijn eigen zone van invloed ligt. Ik moet hem laten nadenken over de vraag of het haalbaar is. Een te grote stap kan zorgen voor minder overtuiging en daarmee voor minder succes. Als Bas van een vier in één keer naar een acht wil, help ik hem dus beter door samen na te denken over een wat kleiner en daarmee haalbaarder doel. Een 5,5 klinkt haalbaar, maar ik stel de vraag toch: ‘Is het haalbaar voor jou om een 5,5 gemiddeld te halen voor wiskunde?’ Doorvragen hoeft nu nog niet, als Bas ja zegt en er zelfverzekerd bij kijkt is dat genoeg. Gelukkig doet hij dat, anders moet ik hem vragen het doel bij te stellen.

Verder moet het doel ook nog goed zijn voor de leerling en diens omgeving en op meerdere manieren te bereiken zijn. In het geval van een voldoende halen voor wiskunde lijkt dat eerste sowieso geen probleem: Bas en diens ouders zullen het prima vinden. Het zou anders zijn als Bas had gezegd dat hij heel goed in spieken wil worden.  Het doel is daarnaast ook op meerdere manier te bereiken: bijles nemen, extra oefenen, uitlegfilmpjes kijken, hulp vragen van een klasgenoot etc.

In fase 1 vraag ik ten slotte ook nog waaraan Bas straks merkt dat hij zijn doel haalt. Hij zegt: ‘Dan haal ik hogere cijfers en stijgt mijn gemiddelde.’ Dat vind ik een mooi antwoord, maar ik wil graag dat Bas er wat gevoel bij krijgt en vraag dus: ‘Hoe voel je je als je dat bereikt’. Dan zie ik zijn gezicht opklaren. ‘Dat zou wel een enorme opluchting zijn…’ En hij voegt er nog aan toe: ‘Dan maak ik de sommen ook makkelijker, dat zou wel goed voelen.’

Fase 2: Wat houdt mijn leerling tegen?

Kennelijk lukt het Bas tot nu toe nog niet om betere cijfers te halen voor wiskunde, anders hoefden we het er niet over te hebben. Ik vraag dus eerst heel letterlijk: Wat houdt je tegen om van een 4 gemiddeld naar een 5,5 te gaan voor wiskunde? Bas zegt nu iets interessants: ‘Ik begrijp wiskunde niet, ik ben er gewoon niet goed in en daardoor vind ik het ook niet leuk.’ De meeste blokkades zijn inderdaad mentaal en hebben te maken met een statische mindset. Ik probeer Bas daarom in een op groei gerichte mindset te krijgen. Dat doe ik door hem eerst na te laten denken over de volgende vraag: ‘Stel dat je wél goed bent in wiskunde, hoe zou dat zijn?’ Bas denkt even na en zegt vervolgens: ‘Dan zou ik veel betere cijfers halen en het ook leuker vinden.’

Nu is het tijd om hem wat meer uit te dagen. Ik gebruik daarvoor de vier vragen van Byron Katie: Is het waar? Kun je zeker weten dat het waar is? Hoe reageer je op deze gedachte? Wie zou je zijn zonder deze gedachte? Bas denkt een tijdje na en zegt dan: ‘Tot en met de derde was ik heel goed in wiskunde. Ik stond gemiddeld een acht. Daarna kregen we een andere leraar met wie ik niet zo’n goede klik had en die net te snel door de stof ging, zodat ik het niet meer kon bijhouden. En toen haalde ik steeds mindere cijfers…’ Ik onderbreek hem, want hij heeft het belangrijkste al gezegd: die gedachte is ooit een keer ontstaan en hij heeft het volstrekt omgekeerde ook gedacht. Ik vat dit dus kort samen en stel vervolgens nog eens de vraag: ‘Kun je zeker weten dat het waar is?’ Bas geeft toe dat je dit nooit zeker kunt weten. Dan vraag ik wat de gedachte dat hij slecht is in wiskunde met hem doet. Hij zegt: ‘Het demotiveert mij en ik heb daardoor ook geen zin meer om huiswerk te maken.’ Ik vraag hem ten slotte hoe zijn leven zou zijn zonder deze gedachte. Hij grijnst en zegt dat hij dan in ieder geval gemotiveerder zou zijn voor wiskunde.

Fase 3: Welke hulpbronnen kan mijn leerling inzetten?

Nu is het tijd om te kijken welke stappen Bas kan gaan zetten. We kijken daarvoor eerst naar zijn hulpbronnen. Ik vraag hem eerst naar de hulpbronnen die hij zelf tot zijn beschikking heeft: ‘Welke eigenschappen of vaardigheden die je hebt kunnen jou hierbij helpen?’ Bas zegt dat hij wel hard kan werken en ook wel door kan zetten. Meer oefenen moet dus zeker kunnen! Ook geeft hij aan dat hij qua wiskunde best goed is in grafieken lezen en werken met formules. Mooi, dat is al binnen!

Natuurlijk vraag ik ook waar hij nog niet goed in is. Hij zegt dat het vooral om de toepassing van wiskunde in nieuwe situaties gaat. We praten dus een tijdje verder over hoe je daar goed in kunt worden. Bas concludeert dat hij hiervoor gewoon veel verschillende sommen moet oefenen en dat hij zijn leraar om extra sommen kan vragen zodat hij de stof in meer verschillende situaties kan gaan toepassen.

Ook vraag ik natuurlijk naar andere hulpbronnen: ‘Wie kan helpen?’ En – heel belangrijk! – wie van Bas’ klasgenoten heeft al eens iets vergelijkbaars gepresteerd? Bas vertelt dat hij een goede vriend heeft die wél heel goed is in wiskunde, maar hij kent geen klasgenoten die van een 4 naar een 5,5 zijn gegaan bij wiskunde. Ik besluit dus door te vragen op die vriend: ‘Wat doet Sem[1] waardoor hij zo goed is in wiskunde?’ Bas geeft aan dat Sem veel vragen stelt en verder ook altijd doorgaat met de sommen totdat hij ze snapt, terwijl Bas het dan allang opgegeven heeft. Ik vraag aan Bas of hij zoiets van Sem over kan nemen? Én, of Sem hem misschien kan helpen? Bas snapt waar ik naartoe wil: ‘Ik zou hem kunnen vragen of we samen huiswerk kunnen gaan maken, dan kan ik meteen wat dingen aan hem vragen.’

Fase 4: Maak een plan van aanpak

In de laatste fase van het model maken Bas en ik de balans op. Hij moet van mij alles op papier zetten. Eerst noteert hij zijn doel: naar een 5,5 gemiddeld voor wiskunde. Ik controleer of hij het nog steeds positief formuleert. Dat doet hij in dit geval. Daarna vraag ik hem nogmaals of het binnen zijn eigen cirkel van invloed ligt. Hij kan in ieder geval zelf meer gaan oefenen. Om het tot een echt plan van aanpak te maken vraag ik hem heel concreet aan te geven wanneer hij meer gaat oefenen en wát hij dan gaat doen. Hij schrijft op dat hij drie keer per week een half uur extra aan de slag gaat met sommen waarbij hij de stof in andere situaties moet toepassen. Ik vraag hem welke sommen dat dan zijn. Hij geeft aan dat er in het boek extra sommen staan en dat hij er ook om kan vragen bij zijn leraar. En samen oefenen met Sem? Hij mompelt wat in de trant van: ‘Ik zal hem een keertje vragen.’ Dat vind ik natuurlijk veel te vaag. Als een echte pitbull bijt ik mij vast en vraag hem wanneer hij dit gevraagd heeft. Nu zegt hij: ‘Ik app hem meteen wel even.’ Sem is online en hij vindt het prima om deze week nog twee keer samen wiskunde te gaan maken.

Op deze manier helpt het outcome-model mij dus om Bas te helpen een aantal heel concrete stappen te zetten op weg naar een beter cijfer voor wiskunde. En dat terwijl ik de ballen verstand heb van dat vak!  

[1] De namen Bas en Sem zijn verzonnen.